Kleine tekst Medium tekst Grote tekst    Nederlands English
home - contact - nieuwsbrief - links - sitemap
Onderzoeksprojecten » Kinderen » Preventie
De SPACE-studie: Lichamelijke (in)activiteit van kinderen in stadsvernieuwingswijken
Participanten
Drs. S.I. de Vries 1, 3
Dr. Ir. I. Bakker 1, 3
Dr M. Hopman-Rock 1, 3
Prof. Dr. W. van Mechelen 2, 3
Prof. Dr. R.A. Hirasing 2

 

1 TNO Kwaliteit van Leven, Jeugd, Preventie en Bewegen, Bewegen en Gezondheid, Leiden
2 Afdeling Sociale Geneeskunde, Instituut voor Extramuraal Geneeskundig Onderzoek, VU medisch centrum
3 Body@Work, Onderzoekscentrum bewegen, arbeid en gezondheid, TNO-VUmc

 

Periode
januari 2004 tot januari 2008

Sponsor(s)
Ministerie van VWS, Ministerie van VROM,
Body@Work, Onderzoekscentrum bewegen, arbeid en gezondheid, TNO-VUmc

Doelen
Steeds meer kinderen in Nederland zijn te dik. Dit heeft te maken met een verstoorde energiebalans: het energieverbruik is te laag ten opzichte van de energie-inname. Er is sprake van een toenemende lichamelijk inactieve leefstijl: kinderen kijken meer televisie, zitten veel achter de computer en worden vaker met de auto naar school gebracht dan vroeger. Voordat er campagnes en interventies ontwikkeld en/ of geëvalueerd kunnen worden die kinderen stimuleren meer te sporten en te bewegen, is het noodzakelijk meer inzicht te krijgen in de huidige stand van zaken. Hoe lichamelijk actief zijn kinderen in termen van energieverbruik, frequentie, intensiteit, tijd en type activiteit? Wat onderscheid actieve van inactieve kinderen? Hoe meet je dit? En wat is de rol van de gebouwde omgeving?
Kinderen die in grote steden wonen en naar school gaan, worden in toenemende mate beperkt in hun mogelijkheden om lichamelijk actief te zijn. Bij stedelijke ontwikkelingen trekken kinderen vaak aan het kortste eind; aan het realiseren van kantoren, huizen, wegen en parkeerplaatsen wordt vaak meer prioriteit gegeven dan aan de realisatie van speelterreinen. Door de toenemende verdichting van de Nederlandse stadswijken, zien we dat speelterreinen, sportfaciliteiten, parken en ander groen uit de wijk verdwijnen en/ of naar de rand van de wijk of stad verplaatst worden.

 

Methoden
TNO Kwaliteit van Leven heeft met financiering van de Ministeries van VWS en VROM onderzocht of er een cross-sectioneel verband bestaat tussen kenmerken van de gebouwde omgeving en de lichamelijke (in)activiteit van kinderen in Nederlandse stadswijken. Tien stadswijken zijn onderzocht: vijf stadswijken uit het dossier ‘50-wijkenaanpak’ van het Ministerie van VROM en vijf vergelijkbare controlewijken. Ruim 1200 kinderen uit groep 3 t/m 7 van twintig reguliere basisscholen hebben tussen oktober 2004 en januari 2005 deelgenomen aan het onderzoek.
Om de prevalentie van overgewicht en obesitas te bepalen, is bij alle kinderen de lichaamslengte en het lichaamsgewicht gemeten. De kenmerken van de gebouwde omgeving van alle tien stadswijken zijn door twee observatoren in kaart gebracht met behulp van een checklist. Er is informatie verzameld over de lichamelijke (in)activiteit door middel van het bijhouden van een beweegdagboekje gedurende 7 dagen. Een aantal kinderen heeft daarnaast ook gedurende 7 dagen een ActiGraph versnellinsgmeter gedragen. De energie-inname van de kinderen is gemeten met behulp van een voedselfrequentievragenlijst.

Resultaten
Van de 1228 kinderen (49% jongens, 49% allochtoon) van 6 t/m 11 jaar bleek 31% te dik. Maar liefst 33% van de meisjes en 28% van de jongens was te dik, waarvan 9% obees.
Het percentage kinderen dat volgens de zelfgerapporteerde beweeggegevens voldeed aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNGB; iedere dag minimaal 60 minuten tenminste matig intensief (= 5 METs) bewegen) was extreem laag: 4% van de jongens en 3% van de meisjes voldeed aan de NNGB. Kinderen van Turkse en Marokkaanse afkomst bleken op basis van de zelfgerapporteerde gegevens minder lichamelijke actief te zijn dan autochtone kinderen. Van de kinderen die tevens gedurende tenminste 3 weekdagen en 1 weekenddag een versnellingsmeter hebben gedragen (n=61, 36% jongens) voldeed 9% van de jongens en geen van de meisjes aan de NNGB.
De gemiddelde energie-inname uit de voeding kwam overeen met de gemiddelde energiebehoefte van Nederlandse leeftijdsgenootjes. Ook het energiepercentage dat uit tussendoortjes gehaald werd, bleek niet hoger dan landelijke cijfers.
In stadswijken met meer sportvelden, laagbouw, woonerven en woongebieden met autoluwe zones, groen en water in de wijk en met gegroepeerde parkeerplaatsen waren kinderen lichamelijk actiever. In stadswijken met meer hondenpoep en druk en zwaar (bus- en vracht)verkeer waren kinderen minder lichamelijk actief.
 
 

Terug
De SPACE-studie: Lichamelijke (in)activiteit van kinderen in stadsvernieuwingswijken

Kinderen die in grote steden wonen en naar school gaan, worden in toenemende mate beperkt in hun mogelijkheden om lichamelijk actief te zijn. Bij stedelijke ontwikkelingen trekken kinderen vaak aan het kortste eind.

Written By:
Publicatiedatum: 22-1-2008
Aantal keer bekeken: 302