Het viscerale vet dat met de buikomvang gemeten wordt, ontwikkelt zich tot een actief endocrien orgaan, dat stoffen afscheidt die metabole stoornissen veroorzaken. Dit vetweefsel produceert verschillende eiwitten die biologisch actief zijn, de adipocytokines genoemd. Van de volgende stoffen is een duidelijke werking bekend.
Cytokine tumornecrosefactor-a (TNF-a) onderdrukt het functioneren van de insulinereceptoren en de glucoseopname in de spier- en vetcellen. Het remt de vetsynthese en de vetopslag. Een hoog TNF-a gehalte van het bloed remt ook de afgifte van adiponectine.
Adiponectine verlaagt de concentraties van glucose, vrije vetzuren en triglyceriden in het bloed en remt de hechting van monocyten en fagocyten in de vaatwand. Een verlaagde hoeveelheid adiponectine in het bloed kan het atherogene proces versnellen. Het adiponectinegehalte van het bloed is verlaagd bij overgewicht en obesitas.
Obese mensen hebben een sterk verhoogde concentratie van leptine in hun bloed. Leptine is betrokken bij de regulering van de eetlust via de invloed die het heeft op de hypothalamus. Door de chronische blootstelling aan deze verhoogde concentraties wordt bij hen een leptineresistentie aangetroffen, waardoor het remmende effect van leptine op de voedselinname afneemt.
Deze ontregelingen door adipocytokines leiden tot een vicieuze cirkel: meer adipocytokines veroorzaken een grotere insulineresistentie en een hoger gehalte aan glucose, vrije vetzuren en triglyceriden in het bloed. De hoge glucoseconcentraties leiden weer tot omzetting van triglyceriden en lipoproteinen in advanced glycation endproducts (AGES) waarbij zuurstofradicalen vrijkomen die oxidatieve schade veroorzaken.