Het onderzoek: Het huidige onderzoek betreft een literatuuronderzoek, focusgroep interviews en een cross-sectioneel onderzoek waarin is nagegaan of er een cross-sectioneel verband bestaat tussen kenmerken van de gebouwde omgeving en de lichamelijke (in)activiteit van kinderen uit het reguliere basisonderwijs in tien stadswijken in Nederland. Ook is gekeken naar de energie-inname en naar de prevalentie van overgewicht en obesitas bij deze basisscholieren. Op basis van het literatuuronderzoek, focusgroep interviews en de resultaten van het cross-sectionele onderzoek zijn voorlopige beleidsaanbevelingen geformuleerd voor het ‘beweegvriendelijk’ herinrichten van stadswijken. Na herinrichting van vijf van de tien onderzochte stadswijken kan een aanvullende nameting antwoord geven op de vraag of er ook een causaal verband bestaat tussen de wijkkenmerken en de lichamelijke (in)activiteit en de prevalentie van overgewicht en obesitas bij kinderen in stadswijken.
Methoden: Voorafgaand aan het cross-sectionele onderzoek is een aantal focusgroep interviews gehouden om een indruk te krijgen van de lichamelijke (in)activiteit van kinderen en bevorderende en belemmerende factoren op dit gebied. Voor het onderzoek zijn vijf stadswijken geselecteerd uit de 56 prioriteitswijken genoemd in het dossier ’50 wijkenaanpak’ van het Ministerie van VROM. Bij deze vijf ‘prioriteitswijken’ zijn vijf vergelijkbare ‘controlewijken’ geselecteerd. Binnen deze tien stadswijken hebben kinderen uit groep 3 t/m 7 van twintig reguliere basisscholen aan het onderzoek deelgenomen. Het cross-sectionele onderzoek heeft tussen oktober 2004 en januari 2005 plaatsgevonden. Om de prevalentie van overgewicht en obesitas te bepalen, is bij alle kinderen de lichaamslengte en het lichaamsgewicht gemeten. De kenmerken van de gebouwde omgeving van de tien stadswijken zijn door twee observatoren in kaart gebracht met behulp van een speciaal voor dit onderzoek ontwikkelde checklist. Er is informatie verzameld over de lichamelijke (in)activiteit door middel van het bijhouden van een beweegdagboekje gedurende zeven dagen. Een aantal kinderen heeft daarnaast tegelijkertijd een versnellingsmeter gedragen. De energie-inname van de kinderen is in kaart gebracht met behulp van een voedselfrequentie vragenlijst.
Resultaten: Van de 1228 kinderen (49% jongens, 49% allochtoon) van 6 t/m 11 jaar die voor het cross-sectionele onderzoek geïncludeerd zijn is 31% te dik. Maar liefst 33% van de meisjes en 28% van de jongens is te dik, waarvan gemiddeld 9% obees is. Dit percentage is erg hoog in vergelijking met het landelijke percentage. Het percentage overgewicht en obesitas is onder allochtone kinderen, met name kinderen van Turkse en Marokkaanse afkomst, significant hoger dan bij autochtone kinderen. Het percentage kinderen dat volgens de zelfgerapporteerde beweeggegevens voldoet aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNGB; iedere dag minimaal 60 minuten tenminste matig intensief lichamelijk actief) is extreem laag: 4% van de jongens en 3% van de meisjes. Van de kinderen die tevens een versnellingsmeter hebben gedragen (n=61, 36% jongens) voldeed volgens deze objectieve meetmethode 9% van de jongens en geen van de meisjes aan de NNGB. Bijna de helft (45%) van de onderzochte kinderen is op basis van het beweegdagboekje als ‘inactief ’ beoordeeld. Kinderen van Turkse en Marokkaanse afkomst blijken op basis van de zelfgerapporteerde gegevens minder lichamelijke actief te zijn dan autochtone kinderen. De gemiddelde energie-inname uit de voeding is in overeenkomst met de gemiddelde energiebehoefte. Ook het energiepercentage dat uit tussendoortjes gehaald wordt is niet hoger dan de landelijke cijfers van 1997/ 1998. In stadswijken met meer sportvelden, laagbouw, woonerven en woongebieden met autoluwe zones, groen en water in de wijk en met gegroepeerde parkeerplaatsen zijn kinderen lichamelijk actiever. In stadswijken met meer hondenpoep en druk en zwaar (bus- en vracht)verkeer zijn kinderen minder lichamelijk actief.
Conclusie en aanbevelingen: In de onderzochte stadswijken ligt het percentage te dikke kinderen aanzienlijk hoger dan het landelijke percentage. Omdat de gemiddelde energie-inname overeenkomt met de gemiddelde energiebehoefte lijkt de toenemende prevalentie te dikke kinderen veroorzaakt te worden door een te laag energieverbruik door onvoldoende lichamelijke activiteit. Mogelijk is ook de hoeveelheid lichamelijke activiteit bij deze kinderen aanzienlijk lager dan bij andere kinderen in Nederland. Tot nog toe werd ervan uitgegaan dat zo’n 80% van de basisscholieren in Nederland voldoet aan de NNGB, terwijl in de onderzochte stadswijken ongeveer 3% van de kinderen aan de norm voldoet. Ook is gebleken dat het percentage overgewicht bij allochtone kinderen, met name kinderen van Turkse en Marokkaanse afkomst, hoger ligt dan bij de autochtone kinderen en dat deze kinderen ook minder lichamelijk actief zijn. Het is belangrijk kinderen tot meer lichamelijke activiteit te stimuleren. Eén van de maatregelen die hieraan kan bijdragen is het ‘beweegvriendelijk’ (her)inrichten van stadswijken. Of sportvelden, laagbouw, woonerven en woongebieden met autoluwe zones, groen, water en gegroepeerde parkeerplaatsen in een stadswijk daadwerkelijk bijdragen aan het bevorderen van de lichamelijke activiteit van kinderen van 6 t/m 11 jaar zal door middel van een nameting na herinrichting van de vijf prioriteitswijken moeten worden nagegaan.
Full text